Op de kroeg

Op de kroeg

Op de kroeg waar je alles voor het eerst dronk. De kroeg waar je je eerste gebroken hart verzoop in whiskey. De kroeg waar je werd uitgelachen om je eerste colbertje. De kroeg waar je de eerste keer cola moest drinken omdat je de eerste keer met de auto was. De kroeg waarvan je voor de eerste keer niet meer wist hoe je ervan thuis was gekomen.

De kroeg waar je je eerste biertje tapte. Onder toeziend oog van Rob. Het was ook gelijk je laatste want je mocht pas echt tappen als je de 10 daagse cursus van Rob had gevolgd. Allemaal hebben we ons er aan het einde van een avond weleens voor opgegeven. Niemand van ons heeft het ooit echt aangedurfd.

De kroeg waar je plannen maakte voor als je later groot was. En plannen maakte om nooit groot te worden. De kroeg waar je proefwerken, examens, tentamens, rij-examens, toelatingstesten en sollicitatiegesprekken vierde of probeerde te vergeten. Waar leraren, ouders, vriendschappen, relaties, huwelijken, carrieres en zwangerschappen werden besproken.

De kroeg waar je naar The Doors leerde luisteren. En leerde dat The Doors geen muziek maar een religie is. Meer nog dan The Stones, Tom Waits, Jimmi Hendrix en al die anderen die nooit op verzoek werden gedraaid.

De kroeg waar je als je door de gespreksstof heen was weer dezelfde herinneringen ophaalde. Over toen iedereen zich om het dambord schaarde om over de regels te bakkeleien, tot na minuten staren Rob ontdekte dat de een z’n stukken op de zwarte, en de ander op de witte vlakken had staan. Over toen iemand om “een pakje kaartje” vroeg. Over toen iemand “1 bier en 2 colla” op een bierviltje had gekrabbeld. Over toen iemand tegen de bar had gekotst. Over toen iemand zijn mp3- speler uit het toilet moest vissen. Of je zei gewoon een tijdje niks. Tot dat iemand de stilte verbrak met zinloze kroegkreten. Chop-Chop. La-La. Tuut-Tuut.

De kroeg waar we de gemiddelde leeftijd lieten kelderen. De kroeg waar we begroet werden met “hallo meiden”. De kroeg waar iedereen elkaar kende. De kroeg waar niemand een achternaam had, en veel niet eens een voornaam. De kroeg van de Vrouw Met De Lelijke Rug, de Marathonman en Kenneth-waarna-altijd-wel-iemand-lollig-kenwél-meende-te-moeten-roepen. De kroeg waar we ons afvroegen wat sommige gasten zouden doen in de spaarzame uren dat ze niet op hun plek aan de bar zaten. De kroeg waar we ons voornamen om later niet zo te worden. Maar ons ook voornamen om later geen saaie burgerlullen te worden.

De kroeg waar de vuile vaat zich soms zo hoog opstapelde dat je hoopvol vroeg: “Rob, zal ik even helpen spoelen?” Meestal werd je duidelijk gemaakt dat jouw plaats vóór de bar was. Maar soms had je geluk. Dan rolde Rob vaderlijk je mouwen op en met een gezicht dat tevergeefs routine probeerde uit te stralen werkte je je door de bergen vuile glazen en volle asbakken en natte bierviltjes heen.

De kroeg waar je je moest verantwoorden over het rookverbod want ‘jij ben toch van de polletiek’. De kroeg waar polletiek verder taboe was. Net als Nederlandstalige muziek. Of op zondag bij binnenkomst je tequila van het huis niet drinken. Of Überhaupt je tequila niet opdrinken. Al lukte het soms ongezien de helft naast je mond te gieten als je voorvoelde anders niet meer thuis te komen.

De kroeg waar je zei dat je na dit drankje naar huis ging. En je uit beleefdheid het volgende drankje niet afsloeg. En die daarna – onder protest en met je jas al in je hand – ook maar nam. En dan nog maar rondje bestelde. En dat het daarna allemaal toch niet meer uitmaakte. De kroeg waar je de volgende dag van zei dat je er nooit meer heen ging. En dat je nooit meer zou drinken. En waar we bij het volgende bezoek de afspraak maakten van “een paar biertjes en op tijd naar huis”. En die afspraak natuurlijk braken.

De kroeg waar we op een gegeven moment niet langer de jongsten waren. Waar nieuwe zestienjarigen met onzekere vastberadenheid hun immense eerste glazen La Chouffe en Nobeltje en Pauwel Kwak en Schippersbittertjes te lijf gingen. Die huiverden voor hun eerste tequila. En daarna tevergeefs probeerden geen gezicht vol afschuw te trekken. Terwijl wij al begonnen met klagen dat we niet meer konden drinken zoals vroeger.

De kroeg waar jochies kerels en mannen kinds werden. De kroeg die je leven kleurt (en statistisch gezien flink verkort). De kroeg die een tijdperk is. De kroeg waar je zoetsappige lofliederen op schrijft. De kroeg die een instituut is. Die kroeg is niet meer. Proost!

Op Staande Voet
2000 – 2012

  • Facebook
  • LinkedIn
  • email
  • Google Bookmarks